Afbeelding financiering Warmte overleg

Wordt met de GRW het juiste risico gegarandeerd?

De financieringsopgave voor collectieve warmtenetten is omvangrijk. Warmtenetten vragen om hoge investeringen aan de voorkant, kennen lange terugverdientijden en brengen specifieke risico’s met zich mee, onder meer rondom volloop, aanlegkosten en toekomstige kasstromen.

Daarmee ontstaat niet alleen een grote kapitaalbehoefte, maar ook een belangrijk financieringsvraagstuk: hoe kunnen kapitaal en risico’s zo worden verdeeld dat warmtenetten efficiënt en tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten kunnen worden gefinancierd?

Die vraag wordt extra relevant door de Wet collectieve warmte (Wcw), die uitgaat van een grotere publieke rol in warmtebedrijven. In beginsel moet meer dan 50% van een warmtebedrijf in handen zijn van publieke partijen of warmtegemeenschappen. Maar ongeacht wie uiteindelijk aandeelhouder is, blijft dezelfde fundamentele opgave bestaan: hoe financieren we de benodigde investeringen en bij welke partijen kunnen de verschillende risico’s het meest efficiënt worden belegd?

In dat kader komt ook de inzet van publieke garantiemiddelen in beeld. Daarbij is niet alleen de vraag óf garanties wenselijk zijn, maar vooral waar in de financieringsstructuur zij de meeste toegevoegde waarde hebben.

𝘔𝘰𝘦𝘵𝘦𝘯 𝘱𝘶𝘣𝘭𝘪𝘦𝘬𝘦 𝘨𝘢𝘳𝘢𝘯𝘵𝘪𝘦𝘮𝘪𝘥𝘥𝘦𝘭𝘦𝘯 𝘸𝘰𝘳𝘥𝘦𝘯 𝘪𝘯𝘨𝘦𝘻𝘦𝘵 𝘰𝘱 𝘩𝘦𝘵 𝘳𝘦𝘭𝘢𝘵𝘪𝘦𝘧 𝘭𝘢𝘢𝘨-𝘳𝘪𝘴𝘪𝘤𝘰 𝘴𝘦𝘯𝘪𝘰𝘳𝘦 𝘷𝘳𝘦𝘦𝘮𝘥 𝘷𝘦𝘳𝘮𝘰𝘨𝘦𝘯, 𝘰𝘧 𝘫𝘶𝘪𝘴𝘵 𝘰𝘱 𝘩𝘦𝘵 𝘳𝘪𝘴𝘪𝘤𝘰𝘷𝘰𝘭𝘭𝘦𝘳𝘦 𝘥𝘦𝘦𝘭 𝘷𝘢𝘯 𝘥𝘦 𝘧𝘪𝘯𝘢𝘯𝘤𝘪𝘦𝘳𝘪𝘯𝘨, 𝘸𝘢𝘢𝘳 𝘥𝘦 𝘮𝘢𝘳𝘬𝘵 𝘮𝘪𝘯𝘥𝘦𝘳 𝘨𝘦𝘮𝘢𝘬𝘬𝘦𝘭𝘪𝘫𝘬 𝘪𝘯 𝘬𝘢𝘯 𝘷𝘰𝘰𝘳𝘻𝘪𝘦𝘯?

Daar komt de Garantieregeling Warmtenetten (GRW) in beeld. De GRW richt zich op de verbeteren van de financierbaarheid van warmteprojecten door een deel van het financieringsrisico af te dekken door middel van een garantie.

Wat zien we in de huidige contouren van de GRW?

De Garantieregeling Warmtenetten (GRW) is ontwikkeld om de toegang tot vreemd vermogen te verbeteren. In de gepubliceerde contouren kan op dit moment maximaal 80% van het vreemde vermogen worden geborgd. Hiermee neemt het kredietrisico voor financiers af en kunnen warmtebedrijven naar verwachting langlopende financiering tegen aantrekkelijkere voorwaarden aantrekken. Deze langlopende financiering wordt op dit moment voornamelijk verstrekt door publieke banken.

Een groot deel van een volwassen en rendabel warmte-project bestaat uit een langlopende financiering in de vorm van senior debt: financiering met relatief veel zekerheid en als eerste recht op de beschikbare kasstromen.

Juist dit is het deel van de financieringsstructuur waarvoor commerciële banken, bij een voldoende volwassen en goed gestructureerd project, in potentie financieringscapaciteit kunnen bieden.

Introductie van de Nationale Deelneming Warmte (NDW)

Naast de garantieregeling heeft het Rijk met de Nationale Deelneming Warmte (NDW) een tweede instrument ingericht. NDW kan als publieke medeaandeelhouder deelnemen in regionale warmte-bedrijven en daarmee zowel kapitaal als kennis inbrengen. Dit verlaagt de organisatorische en financiële druk op individuele gemeenten.

De NDW neemt deze opgave echter niet volledig over. De deelneming treedt op als minderheidsaandeelhouder, in de huidige opzet tot maximaal circa 40%. Waardoor voor het resterende eigen vermogen andere publieke en eventueel private partijen nodig blijven, als al sprake is van een regionale samenwerking.

Voor gemeenten betekent dit dat zij nog steeds met een substantiële kapitaalinbreng en/of financieel risico kunnen worden geconfronteerd. Zeker bij grotere warmteprogramma’s kan deze opgave de financiële draagkracht en beschikbare risicoruimte van een individuele gemeente te boven gaan. De benodigde middelen en risico’s zijn daarmee in veel gevallen niet zelfstandig door de gemeente te dragen. De NDW verlicht de opgave, maar neemt het bredere financieringsvraagstuk daarmee niet weg.

Voorbeeldcase

Deze case gaat over een bovengemiddelde gemeente: 100K inwoners, 45K woningen waarvan éen derde van de woningen aangesloten kan worden op een collectieve warmtevoorziening. Hierin zijn meerdere duurzame warmte-bronnen gehanteerd en ligt de totale investering op ongeveer 400 miljoen euro, gefaseerd tot 2050.

Voor een rendabel en voldoende ontwikkeld warmteproject kan een groot deel van de totale investeringsbehoefte in beginsel met vreemd vermogen worden gefinancierd. Afhankelijk van onder andere de projectrisico’s, volloop, contract-structuur en kasstromen kan het aandeel senior financiering indicatief circa 70–95% van de totale investering bedragen.

Het resterende deel van de financieringsbehoefte, indicatief 5–30%, moet worden ingevuld met eigen vermogen, achtergestelde financiering of een andere vorm van risicodragend kapitaal. In onze voorbeeld case gaat het om een investeringsbehoefte van:

  • Ongeveer 280 – 380 mln (70-95%)
  • Ongeveer 20 – 120 mln (5-30%)

In de huidige contouren van de GRW kan maximaal 80% van het vreemde vermogen worden gegarandeerd. Ook wanneer de NDW participeert resteert hierdoor ook na het mogelijk bijstaan van de NDW een hoge en risicodragende investering. Die in de praktijk in de meeste gevallen niet haalbaar is en ook niet in verhouding staat tot de draagkracht van een gemeente.

Hoe kan het wel?

Wat Enber betreft ligt een belangrijk deel van de oplossing in het herschikken van de publieke garantie. In plaats van deze primair in te zetten op het relatief lager-risico senior deel, kan de garantie juist worden gericht op de meer risicodragende financierings-tranche waarvoor marktpartijen minder bereid zijn het risico zelfstandig te dragen. Zo wordt de publieke garantie ingezet waar deze het grootste verschil kan maken voor de financierbaarheid van het project.

Op basis van deze herschikking kan het hoger-risico-deel beter gefinancierd worden. Voor de financiering van het resterende eigen vermogen kunnen gemeenten, andere publieke aandeelhouders en de NDW een rol vervullen. De uiteindelijke verdeling van deze kapitaalinbreng hangt af van de eigendoms-structuur en de rol van de verschillende publieke partijen binnen het warmtebedrijf.

Daarnaast ontstaat ruimte om commerciële banken nadrukkelijker te betrekken om het relatief laag-risico senior deel te financieren. Deze senior financiering wordt gebaseerd op de kasstromen van het project, een passende risicoverdeling en een financierings-structuur die aansluit bij reguliere projectfinanciering binnen duurzame infrastructuur.

Deze herschikking heeft ook gevolgen voor de financieringskosten. Omdat het senior deel niet langer of in mindere mate door een publieke garantie wordt ondersteund, zal de rente hierop naar verwachting iets hoger liggen. Daar staat tegenover dat het kleinere en risicovollere financieringsdeel door de garantie juist tegen gunstigere voorwaarden kan worden gefinancierd. Per saldo verschuiven de financierings-kosten binnen de kapitaalstructuur, waarbij het uiteindelijke effect afhankelijk is van de omvang en prijsstelling van de verschillende financieringslagen.

De kern is dat publieke en private partijen ieder het deel van de financiering dragen dat het beste bij hun risicoprofiel past. Een garantie op een risicovollere financieringstranche vraagt vanzelfsprekend om een passende risicovoorziening aan de kant van het Rijk. Daar staat echter tegenover dat de publieke garantie veel gerichter wordt ingezet en daarmee een grotere hefboom kan creëren op private financiering. Op die manier ontstaat een evenwichtigere verdeling van risico’s en kunnen warmteprojecten gemakkelijker van de grond komen.

Meer Blogs

Recharge Earth event 2026
Congresverslag Recharge Earth Congres 2026: ‘Eigen Koers – Standvastig in Onzekere Tijden’
Afbeelding financiering Warmte overleg
Wordt met de GRW het juiste risico gegarandeerd?
Energieopslag
De nieuwe generatie opslag: van lithium-ion naar uren, dagen en weken

Altijd op de hoogte blijven?

Ontvang exclusieve tips en trends direct in je inbox.

Zoeken

Kennishub