Bron: Dirkzwager Legal & Tax
Auteurs: Maarten Kole, Advocaat – Partner & Anouk Bisseling, Notaris – Partner – Dirkzwager Legal & Tax
De inzet van mobiele batterijsystemen neemt een vlucht, van bouwplaatsen en festivals tot tijdelijke netverzwaring bij bedrijven. Voor verhuurders en exploitanten brengt dit juridische vragen met zich mee. Want wie is eigenaar als het systeem op de grond van een ander staat? En wat gebeurt er bij een eventueel faillissement van de klant? In dit artikel bespreken we de goederenrechtelijke risico’s en praktische oplossingen.
De vraag naar de juridische status van batterijsystemen is actueel. Waar deze systemen voorheen incidenteel werden ingezet, vormen ze nu vaak een cruciaal onderdeel van de bedrijfsvoering bij netcongestie. Voor de eigenaar van de batterij (vaak de verhuurder) is het essentieel dat het eigendomsrecht veilig is gesteld, zeker als het systeem op het terrein van de klant staat.
Een veelgehoorde zorg is of een geplaatst batterijsysteem juridisch onderdeel wordt van de installatie van de klant. Als dat gebeurt, verliest de verhuurder in beginsel zijn eigendomsrecht door zogeheten bestanddeelvorming artikel 5:3 Burgerlijk Wetboek (BW). De eigenaar van de hoofdzaak (de installatie van de klant) wordt dan automatisch eigenaar van het bestanddeel (de batterij).
Om te bepalen of hiervan sprake is, gelden twee belangrijke criteria uit art. 3:4 BW:
In de regel zal een mobiele batterij zijn zelfstandigheid behouden. De installatie van de klant kan immers ook zonder de batterij functioneren en er is doorgaans geen sprake van een vaste, bouwkundige integratie.
Ook wetgeving speelt een rol in de duiding. Waar de oude Elektriciteitswet ‘opslag’ niet expliciet noemde, schept de Energiewet (ingevoerd per 1 januari 2026) meer duidelijkheid. De wet definieert een ‘installatie’ als materieel voor verbruik, productie óf opslag van elektriciteit. Hierdoor kwalificeert een batterijsysteem juridisch sneller als een zelfstandige installatie, en niet slechts als aanhangsel van een productie-installatie. Dit versterkt de positie dat batterijen als aparte eigen systemen moeten worden beschouwd.
Een groter risico ligt op de loer bij de vraag of het systeem ‘onroerend’ kan worden door plaatsing op de grond. Een zaak is onroerend als deze ‘duurzaam met de grond verenigd’ is (art. 3:3 BW). Als een batterij als onroerend wordt aangemerkt, wordt de grondeigenaar (de klant) door natrekking automatisch eigenaar van de batterij.
Bij mobiele systemen die tijdelijk, los op de grond staan, is dit risico beperkt. Echter, zodra er sprake is van duurzame voorzieningen (zoals een speciaal gestorte fundering, ingegraven bekabeling of een vast hekwerk) kan de kwalificatie kantelen naar onroerend. De bedoeling van de bouwer om het werk permanent ter plaatse te laten blijven, speelt hierbij een cruciale rol.
Om te voorkomen dat u uw eigendom verliest, kunt u een aantal juridische instrumenten inzetten.
Verhuurt of exploiteert u batterijsystemen op locatie bij derden? Let dan op de volgende zaken:
Meer weten?Wil je je verder verdiepen in de juridische aspecten van de energietransitie en actuele energiewetgeving? Bekijk dan de cursus Energiewetgeving in de praktijk van Euroforum voor een compleet overzicht van de laatste ontwikkelingen en praktische kennis. Vraag dan vrijblijvend informatie aan. De cursus is bovendien ook geschikt om als maatwerk binnen je eigen organisatie te volgen.
Altijd op de hoogte blijven?
Ontvang exclusieve tips en trends direct in je inbox.